Zucht uit Calabrië – Keukenverhaaltje voor life

Het is nevelig. Ik spoor langs de Zwitserse meren. Het landschap ademt sereniteit. En ik heb haast. Voor één keer. Gefilterd ochtendzonlicht valt op de slapende gezichten van de mensen om me heen.

Ik doezel, dagdroom en overbrug de 18 reisuren en de laatste dag van het jaar die me nog resten.

Mijn hoofd rust tegen het kilvochtige treinraam, de terugslagen van het gedender opvangend. De tijd ontglipt me en ik spartel om me niet te verliezen in een nakend gevoel van radeloosheid.

Rillend sla ik de uitgerafelde, opgepluisde felgekleurde wollen sjaal om me heen. Als een beschermende cocon.

“Mijn leven moet gevuld zijn met liefde”, ik had het Meryl Streep ooit onberispelijk en met zoete stem horen declareren. Het leek toen zo’n zweemzoet, gratuit zinnetje, eentje voor diva’s of zo.

Enkel wanneer ik reis, durf ik me wel eens over te geven aan een contemplatieve drift. Dan staar ik graag voor me uit, herkauw gulzig voorbije dagen of maanden. Er wordt dan vooral gekoesterd en geglimlacht.

Deze keer is het anders. Ik katapulteer me 19 jaar terug in de tijd.

“Fabelachtig mooi zou hij je staan”, hoorde ik achter me, “zeker als je hem stolagewijs losjes om je heen zou draperen, dat maakt je ongetwijfeld nog pittiger.”

Later,  rechtstaand aan de opgeblonken toog van de Pasticceria Marchesi en omringd door serieuze  mannen met gilet en strik had hij me dat bijzonder mooie spreekwoord toevertrouwd had; “ je leven is voltooid als je een vrouw hebt bemind, een boom hebt gepland en een boek hebt geschreven.” En hij voegde er in één adem fluisterend aan toe dat hij ze alledrie al gedaan had, hoe onvoorstelbaar rijk hij zich voelde bij al wat het leven hem al gegeven had. Een zondagskind zo noemde hij zichzelf graag.

Hij deed ook graag aan taartjes zoals hij dat zelf noemde. We regen de hele middag woordjes aan elkaar, lepelend van chocolade overdaad. Tot het donker werd. En we praatten verder in aan een andere toog bij bellen ronde rode wijn, verstopt in het steegje bij de Via Montenapoleone.

Onconventioneel, zo kon je onze ontmoeting, en later onze vriendschap for life wel bestempelen.

De ontmoetingen bleven beperkt en schaars, de correspondentie doorvoeld, intens en omvangrijk.

De brieven werden occasioneel ingeruild voor mails. Het meisje voor vrouw, de man voor bejaarde.

En nu raas ik tussen de Italiaans glooiende heuvels naar hem toe. Het is echt zo, bedenk ik me turend naar niets. Dat het soms gebeurt dat een context herinneringen terug levendig maakt. Ik lees in de voorbijschuivende velden die ene passage van Martin Bril: “In een dorpje in Calabrië waar ik nu vaak ben, ligt mijn buurman op sterven. Hij roept alle dagen om zijn moeder. De dorpsdokter heeft gezegd dat alle mannen ‘mamma mia’ roepen voor ze de ziel laten.”

Later zit ik aan zijn bed en voel onze onloochenbare band. Tastbaar en van een bijzondere en fragiele puurheid.  Hij maakt hem alweer navoelbaar voor me.

“Dingen komen, dingen gaan.”kucht hij. Een lange pauze, en dan vervolgt hij “Denk eraan lieve, voel nooit geen schuld of schaamte, voor niks of niemand.”

Hij strijkt met zijn perkamenten hand vluchtig langs mijn springerige haar, houdt even halt bij mijn hals, en lispelt “ Alles wat nu gaat gebeuren is goed, laat maar waaien, morgen een nieuwe dag of niet.”

Ik slenter terug naar Roberto’s terras onder de dwarrelende sneeuw. In de verte echoët zijn stem “Mamma Mia”. De haast ben ik verloren.

share

connect

Comments